Jaarverslag 2014, SCA Hygiene - page 38

Stichting Pensioenfonds SCA Jaarverslag 2014
37
16.4 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling
Algemeen
Het pensioenfonds heeft bij de samenstelling van dit jaarverslag
de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving toegepast. Het
kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de directe methode.
Waardering
Algemeen
Activa en passiva worden gewaardeerd tegen de kostprijs, tenzij
hierna een andere waarderingsgrondslag wordt vermeld.
Buitenlandse valuta
Activa en passiva in buitenlandse valuta worden omgerekend
tegen de ultimo jaar geldende koersen.
Transacties in vreemde valuta’s gedurende de verslagperiode
worden in de jaarrekening verwerkt tegen de koers van
afwikkeling. De uit de omrekening per balansdatum
voortvloeiende koersverschillen worden, rekening houdend met
eventuele dekkingstransacties, opgenomen in de staat van baten
en lasten.
Participaties in beleggingsinstellingen
De ter beurze genoteerde beleggingsinstellingen zijn
gewaardeerd tegen de reële waarde, zijnde de beurswaarde. Niet
ter beurze genoteerde fondsen worden gewaardeerd tegen de
reële waarde, zijnde de intrinsieke waarde, gebaseerd op de
marktwaarde van de onderliggende beleggingsparticipaties.
Zakelijke waarden
De zakelijke waarden zijn gewaardeerd tegen de beurswaarde
ultimo boekjaar.
Vastrentende waarden
Alle vastrentende beleggingen, obligaties en leningen
op schuldbekentenis, worden gewaardeerd tegen reële waarde.
Voor de obligaties is dat de beurswaarde ultimo boekjaar en
voor de leningen op schuldbekentenis is dat de berekende reële
waarde. Bij deze berekening worden alle toekomstige
geldstromen contant gemaakt tegen de geldende
marktpercentages.
Derivaten en overige beleggingen
De derivaten en overige beleggingen, waaronder begrepen
valutatermijntransacties, swaps en geldmarktinstrumenten zijn
gewaardeerd tegen de reële waarde ultimo boekjaar.
Swaps worden gewaardeerd op basis van in de markt
waarneembare informatie. Valutatermijntransacties en
geldmarktinstrumenten worden gewaardeerd op basis van de
intrinsieke waarde van de onderliggende producten.
Beleggingen voor risico deelnemers
De ter beurze genoteerde beleggingsinstellingen zijn
gewaardeerd tegen de actuele waarde, zijnde de beurswaarde.
Niet ter beurze genoteerde fondsen worden gewaardeerd tegen
de actuele waarde, zijnde de intrinsieke waarde.
Deposito’s
Deposito’s zijn gewaardeerd tegen de marktwaarde.
Depot overgangsregeling
De in dit depot opgenomen reserve is primair bestemd voor de
aanvullende regeling zoals opgenomen in artikel
49 ‘Overgangsbepalingen VPL’ van het Pensioenreglement
2015.
Deze overgangsregeling is van toepassing voor de werknemers
die op 31 maart 1999 in dienst waren, die vanaf genoemde
datum tot en met 31 december 2005 ononderbroken deelnemer
in het pensioenfonds zijn geweest en die het deelnemerschap
vanaf 31 december 2005 ononderbroken hebben voortgezet tot
en met 31 december 2020, of tot het bereiken van de
(vervroegde) pensioendatum.
De regeling beoogt een aanvullende pensioentoekenning bij
pensionering waarbij gebruik wordt gemaakt van de fiscale
ruimte die per 31 december 2005 bestond ten opzichte van de
bij het pensioenfonds opgebouwde aanspraken.
Recht op deze toekenning ontstaat alleen indien het bestuur
haar jaarlijkse besluit heeft genomen tot toekenning van de
aanspraken aan diegenen die het eerstvolgende boekjaar
gebruik kunnen maken van de regeling, waarbij rekening
gehouden wordt met de toereikendheid van de opgebouwde
reserve.
De reserve wordt gevormd door de premiebijdragen plus het
gerealiseerde rendement onder aftrek van de uitvoerings- en
administratiekosten. In geval van gebruikmaking van de
regeling door een betrokken werknemer wordt deze reserve
aangesproken. In 2013 heeft het bestuur besloten de
verplichtingen van de overgangsregeling te classificeren als
‘overige voorziening’. In 2014 heeft het bestuur besloten het
‘depot overgangsregeling te onttrekken uit de algemene reserve
en te classificeren als ‘bestemde reserve’.
Vereist eigen vermogen
Om aan negatieve ontwikkelingen op de financiële markten het
hoofd te kunnen bieden, wordt gestreefd naar een niveau van
het eigen vermogen op basis van de volgende formule, waarbij
het uitgangspunt is dat het pensioenfonds over een eigen
vermogen ter grootte van het vereist eigen vermogen beschikt:
(S1
2
+ S2
2
+ (S1*S2) + S3
2
+ S4
2
+ S5
2
+ S6
2
+ S8
2
)
De verschillende risicofactoren worden als volgt berekend:
S1: Renterisico
Het effect van de meest ongunstige wijziging van de
rente(termijnstructuur) volgens de wettelijk voorgeschreven
stijgings- en dalingsfactoren.
S2: Aandelen- en vastgoedrisico
De waarde van S2 is opgebouwd uit het effect van een daling
van de waarde van de beleggingen in beursgenoteerde aandelen
ontwikkelde markten en indirect (actief) vastgoed met 26,9%,
in aandelen opkomende markten met 37,2% (standaardbuffer is
35%; in verband met actief risico is de standaardbuffer
verzwaard naar 37,2%), in niet-beursgenoteerde aandelen met
30% en in direct vastgoed met 15%. De correlaties tussen de
risicocategorieën die onderdeel uitmaken van het aandelen- en
vastgoedrisico bedragen 0,75. Hiermee wordt aangegeven, dat
de risico’s niet onafhankelijk van elkaar optreden, maar een
sterke positieve samenhang met elkaar vertonen.
S3: Valutarisico
Het effect van een daling van alle valutakoersen ten opzichte
van de euro met 20%.
S4: Grondstoffenrisico
Het effect van een daling van de waarde van de beleggingen in
grondstoffen (commodities) met 30%.
S5: Kredietrisico
Het effect van een daling van de gewogen gemiddelde
rentemarge (credit spread) met 40%.
1... ...
Powered by FlippingBook